Ursula: 'Mijn moeder zat achter het raam'

 

Tierende ruzies, harde klappen, speed en alcohol. En een moeder die in de prostitutie zat. ‘Als kind had je dat nauwelijks door, maar later kwamen de flash backs. Ik heb een afschuwelijke jeugd gehad.’ Zegt Ursula (54) nu. Het kermisleven was haar redding. Tegenwoordig wijdt ze zich aan ‘de lieve oudjes van de Heinsiushof’.

 

 

‘Mijn moeder had een raam in de Emmastraat. Om elf uur gingen de gordijnen open en ging ze aan het werk. Tot ‘s avonds laat. Het wandje tussen haar kamer en waar wij sliepen was zó dun’, - er passen drie centimeters tussen Ursula’s vingers . ‘We lagen in bed met de vingers in de oren. Mijn twee oudere zussen en m’n broer. ’s Ochtends hadden we nog steeds slaap. Dan flikkerde mijn moeder speed in onze thee. Om ons wakker te houden. Ja, dat flikte ze! Kun je voorstellen?’

Haar moeder was verslaafd, had het spul in huis. ‘Amfetamine, speed, alcohol. En ze gokte ook.’ Altijd geschreeuw in huis, altijd een grote bek. Daar veranderde niets aan nadat haar moeder was gescheiden. ‘Toen woonde ze met haar nieuwe vriend de etage boven mijn vader met zijn nieuwe vriendin. Niet normaal toch? Het bleef herrie en ruzie. Een hel. Ook met mijn stiefvader. Ik heb heel wat klappen gehad. Ook heb ik mijn moeder zien hangen, wilde ze zelfmoord plegen. Als je een beetje verstand hebt laat je hierin toch geen kinderen opgroeien? Maar nee hoor, ze kreeg nog drie kinderen. Twee daarvan gaf mijn stiefvader dezelfde naam als van ons. Wat een eikel!’

Tot haar dertiende zat ze op de Hugo de Grootschool. Daarna was het klaar. Verder leren was niet nodig. ‘Werk is voor de dommen, zeiden ze. En als je zestien bent vraag je een uitkering aan. Zo ging dat.’

Toen nam haar leven een wending. ‘Ik ging mee met de broer van mijn stiefvader. Die zat in de kermiswereld. Ik kreeg een eigen caravan, elke week 75 gulden, kleren en eten. Dat was mijn geluk.’

Uiteindelijk kwam Ursula goed terecht. ‘Toen mijn jongste kind zes weken was, verhuisde ik naar Klarendal. Dat vond ik niks. Toen naar Presikhaaf. En sinds twintig jaar woon ik in het Statenkwartier. Heerlijk!’

Ze runde een koeriersbedrijf, maar in 2009 sloeg het noodlot toen. Tumor in het hoofd. Ze kwam eroverheen. Maar werd wel epileptisch. Medicijnen houden de boel nu onder controle. Werken lukt niet meer. Ze ging vrijwilligerswerk doen voor ‘de lieve oudjes van de Heinsiushof’. ‘Ik wil daar graag een ruimte om met hun te naaien of te bloemschikken. Maar daar zitten ook mensen met ‘bepaalde problemen’, en daartussen voelen die oudjes zich niet thuis. Naar de Symfonie? Kan niet, want ze steken de drukke straat niet over. Het liefst had ik een bus om ze daarheen te brengen.’

Ook bekommert Ursula zich om mensen in haar omgeving. ‘Weet je wat ik niet kan uitstaan? Dan komen ze van de zorg een half uurtje kijken hoe het met iemand gaat, en dan weten ze het. Ik zie die mensen twintig keer per dag en zie écht wat er aan de hand is. Die worden dus niet goed geholpen. Maar waar moet je tegenwoordig aankloppen?’