Statenkwartier, wijk van rechtsgeleerden en staatslieden(7)

 

Het Statenkwartier dankt zijn naam aan een aantal meer of minder beroemde rechtsgeleerden en staatslieden die Nederland enige honderden jaren geleden heeft voortgebracht. Dit keer Johan Rudolph Thorbecke in de schijnwerpers.

 

 

Thorbecke is onbetwist de grootste Nederlandse staatsman van de negentiende eeuw. Misschien wel de grootste politicus die Nederland ooit gekend heeft. Zijn invloed was enorm. Zijn knapste staaltje: invoering van de Grondwet in 1848. Ook nu nog staat hij hoog in aanzien. In 2004 belandde hij op plaats 15 tijdens de verkiezing van De grootste Nederlander. Daarom deze keer wat extra ruimte voor deze bijzondere staatman.

Johan Rudolph Thorbecke werd geboren op 14 januari 1798 in een arme, half-Duitse familie in Zwolle. Zijn vader was lang werkloos, het gezin was aangewezen op steun van familieleden in Duitsland. Tot aan zijn dood stimuleerde Thorbecke’s vader zijn zoon om te leren en verder te studeren voor een betere toekomst. Johan Rudolf moest bereiken wat zijn vader zelf niet had bereikt: geld verdienen om zijn familie te onderhouden.

De jonge Thorbecke volgde het advies op en bleek een slim ventje. In 1820 promoveerde hij in de letteren aan de universiteit van Leiden. Hij ging daarna naar Duitsland, waar hij als privédocent aan de slag ging. Vanwege geldzorgen moest hij enkele jaren later het land weer verlaten. Hij verhuisde naar Gent in België (toen nog deel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden). De Belgische Opstand van 1830 dreef hem terug naar het huidige Nederland, waar hij hoogleraar werd aan de Universiteit van Leiden. Hier begon hij zich te mengen in de discussie over een wijziging van de Grondwet en schreef er zijn eerste stukken over. In die tijd (1836) trouwde hij ook met de negentien jaar jongere Adelheid Solger.

Eind 1844 werd hij Kamerlid, en greep meteen zijn kans: hij nam het initiatief tot een grondwetswijziging. Koning Willem II verzette zich hevig. Die zei: “Dit voorstel nooit, al ware het schavot ernaast geplaatst.” Vier jaar later ging de koning echter overstag, omdat hij behoorlijk was geschrokken van allerlei politieke beroering in het buitenland.

Thorbecke werd hoofd van een commissie die de grondwet moest hervormen. Op 19 juni 1848 kwam de commissie met 12 nieuwe wetsvoorstellen. De belangrijkste: inperking van de macht van de koning (die onschendbaar was!), invoering van verantwoordelijkheid van ministers, rechtstreekse verkiezingen van de Tweede Kamer en vrijheid van meningsuiting. Het werd de basis voor de hedendaagse Nederlandse parlementaire democratie: de Eerste en Tweede Kamer bepaalden voortaan het landsbeleid en niet langer de koning. Nederland werd een modern land.

 

Minister-president

Vrij snel daarna, in 1849, werd Thorbecke minister-president. Hij kwam direct in conflict met de nieuwe koning Willem III, die de grondwetswijzigingen absoluut niet zag zitten. De koning noemde Thorbecke en zijn kabinet “staatsgevaarlijk en revolutionaire nieuwlichterij”. Dit leidde uiteindelijk tot een val van het kabinet.

Toch werd Thorbecke daarna nog twee keer minister-president. Het tweede kabinet nam onder meer wetten aan voor het graven van het Noordzeekanaal en de Rotterdamsche Waterweg. In mei 1863 werd de Wet op het Middelbaar onderwijs aangenomen, waaruit later de HBS  voortkwam. Tijdens die derde regeerperiode werd Thorbecke ziek en overleed op 6 juni 1872 aan een longontsteking. Vijf dagen voor zijn dood regelde hij nog dat Aletta Jacobs als eerste vrouwelijke student werd toegelaten aan de universiteit.