'Ik naar een zorgcentrum, met al die ouwe wijven?'

 

Wijkbewoonster Marie Faber 90 jaar

 

Marie Faber is de oudste bewoonster in de wijk die nog op zichzelf woont. Op 2 november bereikte ze de respectabele leeftijd van negentig jaar. “2 november is het Allerzielen”, zegt ze, “meer iets voor de dooien. Niet voor mij.” Marie Faber is nog springlevend. En kwiek van geest.

 Mevrouw Faber in de bloemetjes gezet door Chris Telintelo van de Kansenfabriek

 

De roots van Marie Faber liggen in Vlaardingen, waar ze met zes broers en zussen opgroeide. Tot het oorlog werd. “Mijn moeder overleed in de oorlog toen ze 38 was. Ik was 15. En als moeder weg is, is alles weg”, zegt ze filosofisch.

Haar vader kon het niet behappen, het gezin viel uit elkaar. Net als haar broers en zussen zwierf Marie uit over Nederland. Zij kwam in Arnhem terecht. Als dienstbode. En later als gezinshulp in het Arnhemse Broek, waar ze haar man ontmoette.

“Als gezinshulp heb ik veel volwassenen van nu nog gekend als kind”, vertelt ze lachend, alsof ze diepe geheimen met zich meedraagt. “Ik zeg ze nog wel eens goeiendag, of maak een praatje met ze. Ik ben tevreden zo. Wat moet ik meer? Ik heb mijn Aow’tje. Voldoende voor m’n natje en m’n droogje. Ik kan met weinig toekomen,” zegt ze met een knipoog naar degenen die altijd maar lopen de klagen

 

Oorlog

Haar leven kende ook moeilijke tijden. “De oorlog, in Vlaardingen. Altijd honger. Bij boeren, waar ik eieren moest rapen, heb ik soms wat gepikt; dat deden we allemaal. Maar schrijf dat maar niet op, ik wil geen slechte naam krijgen.”

“Of we liepen naar de Achterhoek. Om eten, brood en aardappels te halen. Een week heen, een week terug. We overnachtten in scholen. Waar we eten van kochten? Dat ruilden we tegen fietsen, die we onderweg pikten – maar schrijf dat maar niet op. Je moest toch op de een of andere manier overleven?”

 

Rikketik

Dertig jaar geleden stierf haar man, sindsdien woont mevrouw Faber alleen. Nu op de Voetiusstraat. Haar drie kinderen wonen verspreid in Arnhem, ze ziet ze regelmatig. Over het Arnhemse Broek niets dan lof. “Een gewone, gezellig wijk, met gewone, gezellige mensen. En ik heb heel aardige buren. Jongeren. Ik hoef maar te roepen en ze staan voor me klaar!”

Tegenwoordig is de negentigjarige vaak te vinden in de Kansenfabriek op de Johann de Wittlaan. “Ik zat vaak alleen thuis. Tot iemand zei: kom gezellig bij ons zitten. Het is heerlijk hier. Maar ik doe best wel veel. Ik zit op een kaartclub, gezellig jokeren. Ik loop nog heen naar Presikhaaf – terug is te ver. En heb thuis mijn werk, zoals schoonmaken. Doe alles zelf. Ik sport dus genoeg”, lacht ze. Sinds een paar weken heeft ze echter huishoudelijke hulp. Want: “Ik durfde het trapje niet meer op om de ramen te zemen.”

Is zorgcentrum Waalstaete geen optie? “Daar mag ik niet heen omdat ik nog zo bijdehand ben. En ik wil daar ook niet heen, met al die ouwe wijven, hahaha..” Geen wensen meer? “Jawel, ik zoek een ouwe vent met veel geld. En hij moet last hebben van zijn rikketik, zodat ik zijn geld…maar schrijf dat maar niet op, hahaha…”